Schakeling is geplaatst op 12 januari 2006
Luxe Dimmerinstallatie.
Deze schakeling omvat een luxueuse dimmerinstallatie, de luxe zit in het feit dat er bijvoorbeeld in de woonkamer nabij een wandcontactdoos één kast op de muur geplaatst wordt. Deze zogenaamde "regelunit" heeft een 16-aderige Male-connector. Op deze connector sluit u een 16-aderige Female bandkabel-connector aan waarmee u de bandkabel (in bijvoorbeeld een kabelgootje) naar uw plint laat gaan. Op de plint splits u deze bandkabel in 8-lijnen van 2-aders, welke u naar een willekeurige plek in de woonkamer brengt en aan het eind van deze 2-aderige kabel soldeerd u een standaard Male tulp-plug. Deze tulp-plug sluit u aan op de Female tulp-plug van een apart-kastje, waarin u een Dimmereenheid onder gebracht hebt. Op deze wijze kunt u op 8 verschillende plaatsen het licht dimmen, vanuit één regelunit, waarbij de koppeling tussen regelunit en dimmers onder laagspanning plaatsvindt. De regelunit biedt de volgende mogelijkheden: 1. 8 instelpotmeters (P7 t/m P7G) welke voorzien worden van een extra lange as om buiten de kast als 'intesiteit-regelaar' van elk afzonderlijk lichtpunt te dienen. 2. Een 'totaalregelaar' (P4) welke de intensiteit van alle aangesloten lampen regelt. 3. 'twee presets, waarmee er twee 'verlichtingssferen' geprogrammeerd kunnen worden, welke door draaischakelaar (S1) ingeschakeld kunnen worden. 4. Eén uitschakelaar van alle lampen. De 'regelunit' bevat een kleine tranformator welke vanuit het lichtnet gevoed wordt (vandaar plaatsing regelunit nabij wandcontactdoos). De secundaire spanningen worden via diode (D1 en D2) gelijkgericht en nadien door diode (D3) aan de afvlakcondensator (C1) en spanningsregelaar (IC3) en de voedingslijn aangeboden. De spanningsregelaar geeft een keurige + 12 Volt spanning. De gelijkgerichte, maar niet afgevlakte spanning van de tweede secundaire wikkeling gaat via de spanningsdeler (R1 en R2) naar de de basis van transistor (T1). Deze transistor zal geleiden, behalve een kort moment vóór en ná de nuldoorgang van de netspanning. Op de collector van transistor (T1) ontstaan dus smalle positieve pulsjes rond de nuldoorgang. Transistor (T2) is geschakeld als constante stroombron en zal condensator (C3) op laden met een door instelpotmeter (P1) in te stellen stroom. De spanning over condensator (C3) stijgt van 0 Volt naar ongeveer +8 Volt, maar zal bij het verschijnen van de smalle puls door transistor (T3) worden kortgesloten. Over condensator (C3) ontstaan dus netgesynchroniseerde zaagtand spanningen, welke echter nog niet het gewenste verloop hebben. Om het verloop te verbeteren, wordt gebruik gemaakt van een inverterende mengversterker (IC1). Hierbij wordt de zaagtand-spanning geinverteerd (R8 = R9) en gemengd met een positieve ingestelde spanning afkomstig van potentiometer (P2). Het gevolg is nu dat de stijgende zaagtand-spanning omgezet wordt in een dalende zaagtand-spanning waarbij echter de grenzen 0 Volt en +8 Volt niet aangetast worden. Via potentiometer (P2) kunt u deze grenzen precies instellen. De zaagtand-spanning moet nu middels een 'comparator' worden vergeleken met een instelbare gelijkspanning tussen 0 Volt en +8 Volt. De regelspanning wordt opgewekt in één als spanningsvolger geschakelde Operationele versterker (IC2). Op de niet-inverterende ingang wordt een spanning tussen 0 Volt en + 8,7 Volt aangeboden (P4) is de "totaalregelaar" de maximale waarde is precies in te stellen door instelpot (P3). De uitgang van de Opamp (IC2) gaat naar het moedercontact van standenschakelaar (S1). Deze schakelaar zal de regelspanning op één van de drie lijnen schakelen of in de eerste stand NIET doorgeven ( Uit-schakelaar van alle Lampen). Via één van de drie regelspanningss-lijnen worden de instelpotentiometers van de 'preset 1' (P5 t/m P5G) 'preset 2' (P6 t/m 6G) of handinstelling (P7 t/m P7G) geschakeld. De dioden (D4 t/m D4G en D5 t/m D5 en D6 t/m D6G) zorgen ervoor dat alleen de instelpotentiometer welke door middel van draaischakelaar (S1) onder spanning is gezet een signaal naar de Weerstanden (R10 t/m R10G) kan sturen. De spanning over deze weerstand, waarvan de grootte dus zowel door 'totaalregelaar' (P4) als door de kanaalregelaars (P5 t/m P5G of P6 t/m P6G of P7 t/m P7G) bepaald wordt. Dit signaal wordt aangeboden aan de 'comparatoren' (IC4 t/m IC4G) en vergeleken met de zaagtandspanning welke via de weerstanden (R11 t/m R11G) beschikbaar is. Om het systeem zo bedrijfzeker als mogelijk te maken, stuurt de uitgang van deze 'comparatoren' niet rechtstreeks de gate van de thyristoren (TH1 t/m TH1G) aan. Het uitgangssignaal wordt aangeboden aan de als emittervolgers geschakelde transisoren (T4 t/m T4G). De spanning op emitters van deze transistoren gaan via een kortsluitbeveiligings-weerstand (R14 t/m R14G) naar de uitgangs-connector (DAT 1) Via de al in het begin aangegeven methode (bandkabel) gaat het signaal naar de afzonderlijke 'dimmers'. Zoals uit het schema en bovenstaande tekst blijkt zijn er in de regelunit 8 (deelschakeling) opgenomen, waarmee dus 8-kanalen beschikbaar zijn. U kunt natuurlijk kanalen weglaten, wanneer u bijvoorbeeld behoefte hebt aan vier kanalen. Ik heb de component-codering bewust gekozen (IC4 t/m IC4G enzovoorts) zodat duidelijk wordt dat het deelschakelingen zijn. Ditzelfde is van toepassing op de dimmers (deze heb ik om tekentechnische redenen alle 8 getekend) wanneer u bijvoorbeeld 4 dimmers nodig hebt, kunt u de andere 4 gewoon weglaten, omdat de dimmers in afzonderlijke kastjes zittten, kunt u ook het aantal dimmers uitbreiden, en voor de sturing van het signaal bijvoorbeeld de tulp-plug 4 uit dimmer 4 halen en deze plaatsen in dimmer 12 (kabel moet natuurlijk wel lang genoeg zijn. De opzet van de dimmers is eenvoudig, als eis is een optische koppeling gesteld. Vanwege handige kleine dimmerkastjes is geen voedingstrafo voor het onsteken van de thyristoren (TH1 t/m TH1G) en voeden van de transistoren in de optocouplers (OP1 t/m OP1G) genomen. Er wordt rechtstreeks door middel van een resistieve spanningsdeler een noodzakelijke spanning uit de 220 V~ netspanning afgeleid. (deze netspanning komt via de euro-connectoren (220V t/m 220V-G) binnen. De resistieve spanningsdeler is enerzijds uit vijf parallel geschakelde weerstanden (R16 t/m R20G) en anderzijds via weerstand (R22 t/m R22G) samengesteld. Het knooppunt van al deze weerstanden is verbonden met de collectoren van de transistoren in de optocouplers (OP1 t/m OP1-G) op deze wijze is een goede optische koppeling gerealiseerd. In rust vloeit de stroom via weerstand (R22 t/m R22g) naar 'Massa' , dit betekend wel dat er gedurende de 'rust' toch een vermogen van ongeveer 2,5 Watt verbruikt wordt, en het dus belangrijk is om in de dimmer-kastjes wat gaatjes te boren zodat deze warmte weg kan. Wanneer nu de LED in de optocouplers 'bekrachtigd' worden, zullen de fototransistoren in de optocouplers gaan geleiden en zullen de gates van de thyristoren worden gestuurd om de thyristoren te ontsteken, hetgeen in zal houden dat de op de euro-connectoren (LMP t/m LMP-G) aangesloten gloeilampen met de 220 Volt netspanning verbonden zullen gaan worden, en dus gaan branden. Nu wordt het duidelijk waarom er bruggelijkrichters (D11 t/m D14G) nodig zijn. Dit is immers de enige manier om de noodzakelijke positieve voedingsspanning voor de fototransistoren in de optocouplers rechtstreeks uit de netspanning af te leiden. Voordeel van deze werkwijze is dat het voor de belasting van het net niets uitmaakt. De LED in de optocouplers worden ook door middel van bruggelijkrichter (D7 t/m D10G) met de ingangsplug (IN t/m IN-G) verbonden, dit is niet noodzakelijk maar heeft als voordeel dat de twee ingangsklemmen niet gepoold zijn. AFREGELEN REGELUNIT sluit de unit aan op het lichtnet en meet met een scoop de spanning op de collector van transistor (T1) er moeten smalle, hoge 12 Volt pulsen zichtbaar zijn. Verplaats de meetstift naar de collector van transistor (T3) en verdraai instelpot (P1) dusdanig dat de zaagtand precies 8 Volt hoog is. Zet nu de meetstift op het testpunt (TP1) en verdraai instelpot (P2) dusdanig dat de nu aflopende zaagtand van +8 Volt naar 0 Volt loopt. Plaats nu een op gelijkspanning ingestelde multimeter op testpunt (TP2) en draai (P4) helemaal open en verdraai nu (P3) totdat de spanning gelijk is aan +8,7 Volt. Zet nu de scoop op één van de uitgangen en controleer de pulsvorm voor alle standen van schakelaar (S1) en alle instellingen van de drie bij elk kanaal behorende instelpotmeters (P5 t/m P7G). Bij het verdraaien van één van de potmeters moet de pulsbreedte continu variëren tussen 0 en maximaal. De dimmerkastjes hebben één aandachtspunt en dat zijn de condensatoren (C4 t/m C4G) dit MOETEN 630 Volt typen zijn, omdat 250 en zelfs 400 Volt typen na verloop van tijd doorslaan.Rest mij nog om u te wijzen op het feit dat er met name op onderdelen in de dimmers een levensgevaarlijke spanning van 220 Volt ~ staat, en er voor een goede isolatie en behuizing zorg gedragen met worden.
0325.jpg
Klik op afbeelding om de hele schakeling te zien.


layout.gif
Afbeelding geeft componentenzijde weer, rode lijnen zijn de printbanen aan de soldeerzijde (In de layout staan staan vierkante soldeervlakken, verbonden met een lichtgroene lijn. Deze lijn geeft een doorverbinding aan, welke aan de componentenzijde van de print gelegd moet worden).

Op de layout zijn blauwe streeplijnen geplaatst dit zijn zaaglijnen voor de verschillende printen (regelunit en 8 x dimmer)

Terug naar index

Terug naar de homepagina

Email deWebmaster