Schakeling is geplaatst op 7 december 2005
Snelheidsregelaar.
Deze snelheidsregelaar voor modelspoorbanen, laat de trein niet zoals bij reguliere snelheidsregelaars plotsklaps op een relatief hoge snelheid wegrijden maar 'geleidelijk' snelheid vermeerderen. Om dit te bereiken, gebruiken we een zogenaamde 'pulsbreedte modulatie'. De werking is als volgt, het hart van de schakeling is Integrated Circuit (IC3) welke gevoed wordt middesl een enkelvoudige 5 Volt voeding. Rond poort A van het Integrated Circuit (IC3A) is een a-stabiele multivibrator samengesteld, welke een blokgolf van ongeveer 100 Hertz opwekt. De frequentie van deze blokgolf is via de Instelpot (P4) in te stellen, weerstand (R4) is als meekoppeling over de 'opamp' (IC3A) geplaatst op het starten van de generator veilig te stellen. Vanwege het afwisselend laden en ontladen van condensator (C6) staat op de ingang (pen 2) een driehoekspanning, deze wordt naar poort B van het Integrated Circuit (IC3B) gebracht. De als 'comparator' geschakelde opamp zal indien de spanning op (pen 5) hoger is dan op (pen 6) een HOGE uitgang geven. Via de potentiometer (P2) wordt de spanning op pen 5 van (IC3B) geregeld. Stel dat dat P2 zodanig ingesteld staat dat de spanning boven het topje van de driehoekspanning op pen 6 is, dan zal de uitgang doorlopend HOOG zijn. Draaien we P2 terug, waardoor de spanning daalt dan klapt de 'comparator' (IC3B) om en zal de uitgang LAAG zijn. Op de neergaande flank van de driehoek, wordt de comparator-spanning weer gepasseerd en klapt deze weer om naar HOOG op de uitgang. Hoe eerder danwel later op de flanken de comparator-spanning wordt gepasseerd, hoe langer de uitgang LAAG zal zijn. Op deze wijze ontstaat op de uitgang een blokgolf met een keurig lineair regelbare puls-pauze-verhouding. De pulsen gaan door een laagdoorlaat-filter (R6,C7,R7) om de scherpe kantjes eraf te halen. Deze pulsen sturen transistor (T1) open en dicht. Transistor (T1) verhoogt de pulsen naar 12 Volt, en stuurt deze geïnverteerd naar transistor (T2). Transistor (T2) is de eigenlijke rijstroomschakelaar, en moet derhalve tegen een stootje kunnen. Diode (D1) zorgt ervoor dat in de 'pauze' van de cyclus de negatieve spanning door de dynamowerking van de treinmotor weggewerkt zal worden, omdat transistor (T2) het anders snel zou gaan begeven. Omdat 'volle belasting' bij een modelspoor (kortsluiting) nogal eens voorkomt, moet T2 op een koelplaat gemonteerd worden. De rijrichting van de trein kan eenvoudig met schakelaar (S3) worden omgezet. Rondom potentiometer (P2) zijn nog een aantal onderdelen geplaatst, welke het leven veraangenamen. Met behulp van instelpot (P1) kan de 'minimum' en met instelpot (P3) de 'maximum' spanning ingesteld worden, nadat de schakeling gereed is kunt u het beste een voltmeter (wisselspanning) op de uitgang (aansluitpunten PLUS en MIN) aansluiten en de potentiometer P2 op 'minimum' draaien nu kunt u instelpot (P1) dusdanig instellen, dat de voltmeter 'net' uitslaat. Nu draait u potentiometer (P2) naar 'maximum' en stelt u instelpot (P3) in op ongeveer 8 Volt. 12 Volt als maximum is voor de meeste treinen te veel. U moet nu zonodig (P1) nog iets instellen, omdat (P3) enige invloed op de 'ondergrens' heeft. Omdat sommige 'trein'-motoren een wat lagere frequentie preferen, kunt u dit via instelpot (P4) instellen, experimenteer hier gerust mee. Voorts bezit deze schakeling nog een schakelaar (S2) waarmee u kunt kiezen om 'met' of 'zonder' vertraging weg te rijden, als u kiest voor 'met' vertraging dan zal condensator (C5) ervoor zorgen dat de trein bij opdraaien van potentiometer (P2) rustig gaat rijden en zijn snelheid gaat vermeerderen tot de geregelde waarde. In de stand 'zonder' vertraging zorgt weerstand (R1) er voor dat er geen tussensprintjes plaatsvinden tijdens omschakelen van S2. Druktoets (S1) kan de snelheidsregelaar (P2) overbruggen en als 'noodrem' fungeren, wanneer er iets mis dreigt te gaan. De aansluitpunten PLUS en MIN worden verbonden met de rails van de spoorbaan, het spreekt voor zich dat voor een goede regeling de spoorbaan op alle punten goed contact moet maken. Het voedingsdeel van de schakeling is eenvoudig van opzet, de 5 Volt stabilisotor (IC2) zit direct achter de 12 Volt stabilisator (IC1) omdat dit ervoor zorgt dat stoorpulsen geen invloed hebben. Het is wel van belang om IC1 op een koelblok te monteren. De voedingsspanning van de gehele schakeling mag tussen 15...20 Volt wisselspanning of gelijkspanning liggen.
0320.jpg
Klik op afbeelding om de hele schakeling te zien.


layout.gif
Afbeelding geeft componentenzijde weer, rode lijnen zijn de printbanen aan de soldeerzijde.
In de layout staan staan vierkante soldeervlakken, verbonden met een lichtgroene lijn. Deze lijn geeft een doorverbinding aan, welke aan de componentenzijde van de print gelegd moet worden.
De beide zwarte stippellijnen geven aan dat het onderdeel binnen deze lijnen op een koelblok moet komen

Terug naar index

Terug naar de homepagina

Email deWebmaster