Schakeling is geplaatst op 6 september 2005
220V~ schakelen met de computer.
Met behulp van deze schakeling is het mogelijk om bijvoorbeeld de doka-verlichting door de computer te laten Aan- of Uit-zetten, waarbij de computer als 'timer' fungeert. Om de koppeling tussen computersignaal en het 220V~ lichtnet te realiseren is een optocoupler (IC2)gebruikt, welke een optimale galvanische scheiding tussen beide garandeerd. Daarnaast is er voor het CA3059 Integrated Circuit gekozen, omdat deze zorgt voor schakelen op de 'nuldoorgang' zodat hinderlijke storing op het lichtnet geminimaliseerd wordt. Vanwege transistor T1 kan de schakeling met zowel TTL- als CMOS-signalen worden gestuurd. Het op de aansluitpunten A en B aangesloten stuursignaal van de computer, zal via weerstand R1 bij een 'hoog'-signaal transistor T1 'open' en bij een 'laag'-signaal 'dicht' sturen. Wanneer transistor T1 'open' gestuurd wordt is de spanning over de LED van de optocoupler (IC2) gelijk aan de verzadigingsspanning tussen collector en emitter van transistor T1 namelijk 0,2 Volt. Dit heeft tot gevolg dat er geen stroom door de LED loopt en de fototransistor van de optocoupler (IC2) gesperd is. Wordt transistot T1 nu 'dicht' gestuurd, dan zullen de LED en fototransistor van de optocoupler (IC2) gaan geleiden. De nuldoorgangs-detector wordt via weerstand R8 uit de 220V~ gevoed. Deze spanning wordt gelijkgericht en via pen 2 van IC1 naar buiten gevoerd alwaar deze door condensator C2 afgevlakt wordt. Er blijft een gelijkspanning van ongeveer 6 Volt over. Pen 4 van IC1 kan rechtstreeks de gate van de triac (TRI) sturen. Is de spanning op pen 13 van IC1 hoger dan de halve voedingsspanning (3 Volt) en de momentele spanning van de 220 Volt 'lager' dan ongeveer 2 Volt, dan zullen er triggerpulsen ontstaan. De spanning op pen 13 van IC1 hangt af van toestand van de fototransistor in de optocoupler (IC2). Is de optocoupler (IC2) 'gesperd' (stuursignaal van computer is dus HOOG) dan is de spanning op pen 13 van IC1 gelijk aan de voedingsspanning en zal in de buurt van de nuldoorgang de gate van de Triac (TRI) getriggerd worden. Wanneer het stuursignaal van de computer LAAG is, zal transistor T1 geleiden en zal de spanning op pen 13 van IC1 ongeveer 1/4 van de voedingsspanning bedragen. Er zullen dus GEEN triggerpulsen op pen 4 van IC1 komen. Met schakelaar S1 kan de gate van de triac (TRI) getriggerd worden, wanneer het stuursignaal van de computer LAAG is. Een nadeel van de nuldoorgangsdetector is het langzaam opladen van condensator C2 als de 220V aangesloten wordt. Tijdens deze oplaadtijd is het verschil tussen de spanning op pen 13 van IC1 en de halve voedingsspanning klein, zodat het voor kan komen dat wanneer het 'stuursignaal' LAAG is de triac toch getriggerd wordt. Om dit zo veel mogelijk te vermijden is een RC-netwerk (C2,R4) gemaakt, waarmee de 'inhibit_ingang' pen 1 van IC1 via weerstand R7 laag gehouden wordt. Om te zorgen dat condensator C3 zich 'snel' ontlaadt bij het uitschakelen van de 220V, is diode D1 met pen 2 van IC1 verbonden. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen kan het toch nog voorkomen dat de gate van de triac 'getriggerd' wordt wanneer de 220V aangesloten wordt. Het is om die reden veiliger om eerst de 220V netspanning aan te sluiten, voordat de belasting wordt aangesloten en eerst de belasting te verwijderen om daarna de 220V uit te schakelen. OPMERKING: omdat op delen van deze schakeling een levensgevaarlijke snanning staat, is een degelijke behuizing en goede isolatie zeer belangrijk. .
0308.jpg
Klik op afbeeldingen om hele schakeling te zien.


layout.gif
Afbeelding geeft componentenzijde weer, rode lijnen zijn de printbanen aan de soldeerzijde.

Terug naar index

Terug naar de homepage

Email deWebmaster