Schakeling is geplaatst op 03 maart 2012
Basisschakeling voor eenvoudig zelfuitschakelend inbraakalarm.
Deze schakeling is een aanpassing van het " Eenvoudig zelfhoudend inbraakalarm " in deze hoofdgroep. Het basisprincipe van deze schakeling is gelijk, behalve dat de beide poorten van het IC1 (IC1a en IC1b) nu staan geschakeld als monostabiele multivibrator. De werking van een monostabiele multivibrator is zo dat zijn uitgang (pin 4) LAAG wordt als er een positieve puls of spanning aan ingang (pin 5) toegwevoerd wordt, maar HOOG wordt gedurende een van te voren ingestelde tijdperiode zodra er aan ingang (pin 2) een positief wordende spanningsovergang toegevoerd wordt. De lengte van de tijdperiode wordt bepaald door de combinatie van weerstand(R7) met condensator(C2) en is met de hier gebruikte waarden ongeveer VIER minuten. (0,5 seconde per µF). Wanneer de tijdperiode verstreken is, zal de uitgang van de monostabiele multivibrator automatisch omklappen naar LAAG. Bedenk wel, dat een monostabiel alleen door een positief wordende overgang van de spanning op ingang (pin 2) kan worden gestuurd. De werking zal dus niet beïnvloed worden door 'vaste' hoge of lage spanningen, welke aan de ingang (pin 2) worden toegevoerd. Wanneer sleutelschakelaar(S1) gesloten wordt, zal de uitgang van de monostabiele multivibrator(pin 4) automatisch LAAG zijn. Het relais(RE) is dan afgevallen, en is het alarm ACTIEF. In deze toestand zal er een ruststroom vloeien van ongeveer 1 microAmpére. Het alarm zal in werking treden, wanneer één van de aangesloten detectie-schakelaars (S2 of S3) van toestand veranderen. Indien dit gebeurd, zal er op de ingang van de monostabiele multivibrator (pin 2) een positieve spanningsovergang staan. Zijn uitgang (pin 3) blijft gedurende een ingestelde tijdsperiode(R7/C2) HOOG, waardoor de schakeltransistor(T1) het relais(RE) zal doen aantrekken en de op het relais-contact aangesloten signaalgever in werking stellen. Na afloop van de tijdsperiode zal de uitgang van de monostabiele multivibrator (pin 3) weer LAAG worden ongeacht de toestand van de detectie-schakelaars(S2 en S3). De transistor(T1) zal gaan sperren, waardoor het relais(RE) zal afvallen en de ingeschakelde signaalgever(s) stoppen. Schakelaar(S4) zal bij het omschakelen, direct het relais(RE) laten aantrekken om de signaal-gever in werking te laten treden. Omdat deze functie NIET-zelfhoudend is (gaat buiten de zelfhoudende basisschakeling om), zal bij een veel gebruikte brandalamering via een drukknop (na inslaan ruitje beschikbaar) heel even SIGNAAL worden gegeven, omdat het relais direct na loslaten drukknop weer afvalt. De schakeling kan op twee manieren gereset en weer ACTIEF worden gezet, namelijk: door het openen en weer sluiten van de sleutelschakelaar(S1) of door het terugzetten van alle dectectie-schakelaars(S2 en S3). De voeding van de schakeling blijft steeds toegevoerd aan het relais(RE) en schakeltransistor(T1) zelfs wanneer sleutelschakelaar(S1) in de UIT-positie staat. Deze voorziening maakt het mogelijk het alarm NIET-zelfhoudend in werking te stellen door er een Normally Open-temperatuurgevoelige schakelaar (thermostaat) op aan te sluiten. Hierdoor is een waakzaam brandalarm te realiseren. Het wisselcontact van het relais RE-NO, RE-NC en RE-MC kunnen een externe signaalgever inschakelen. LEt OP: de signaalgever(s) MOETEN een eigen vrijstaande voeding hebben, omdat anders een terugwerking op het alarm-systeem plaats kan vinden.
0019.png
Klik op afbeelding om gehele schakeling te zien.

Klik op de COMPONENT-LIJST knop, voor een componenten overzicht
De component informatie, is voornamelijk afkomstig uit het leveringsprogramma van Farnell (www.farnell.com) tenzij anders aangegeven.
layout.png
De afbeelding geeft de printplaat weer, gezien bovenop de componenten. De rode lijnen zijn de printbanen welke zich aan de onderkant(soldeerzijde) bij een standaard print bevinden.

Terug naar index

Terug naar de homepage

Email deWebmaster